Artikel 170, § 4, Grondwet.
Artikel 40, §3 en artikel 41, 14° van het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, zijn latere wijzigingen en zijn uitvoeringsbesluiten.
Het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
De omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 (en latere wijzigingen) betreffende de gemeentefiscaliteit.
Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (titel II van het VLAREM) met indelingslijst als bijlage 1.
Algemeen retributiereglement van 31 maart 2025 en latere wijzigingen
Overwegende dat het budgettair noodzakelijk is een belasting te heffen die toelaat de uitgaven van de gemeente in het algemeen te financieren (zowel de verplichte als de facultatieve uitgaven);
Hiertoe is het redelijk dat de bedrijven (zelfstandigen en vennootschappen) ook bijdragen tot de financiële behoeften van de gemeente, aangezien zij eveneens gebruik maken van de gemeentelijke infrastructuur en dienstverlening;
Overwegende dat de heffing van de belasting zelf efficiënt en rendabel moet zijn. Aldus dienen de belastingopbrengsten de administratieve kosten verbonden aan de vestiging en de invordering van de belastingaanslagen te dekken;
Overwegende dat de belastbare grondslag eenvoudig meetbaar en controleerbaar moet zijn en derhalve bestaat uit de totale bebouwde en/of onbebouwde oppervlakte van het goed waarop de vestiging zich bevindt en die door de belastingplichtige voor de uitbating wordt gebruikt of tot gebruik wordt voorbehouden;
Overwegende dat niet alleen de effectief gebruikte oppervlakten, maar ook deze die ter beschikking staan van de belastingplichtige om effectief gebruikt te worden, wanneer deze dit wenst, belastbaar zijn; het ook belastbaar zijn van deze laatste soort oppervlakten vermijdt betwistingen aangaande het begrip effectief gebruik;
Overwegende dat het oppervlaktecriterium met een daaraan gekoppelde gedifferentieerde tariefstructuur op adequate wijze toelaat om, bij benadering en in overeenstemming met het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid, de belasting vast te stellen;
Overwegende dat de belasting belastingplichtigen beoogt met verschillende toestanden en dat die verscheidenheid noodzakelijkerwijs moet worden opgevangen in vereenvoudigde categorieën. De normen van een belasting kunnen niet worden aangepast naargelang de eigenheid van elk individueel geval. Er kan niet voor alle mogelijke soorten bedrijven (elk met hun eigen en meest uiteenlopende kenmerken) worden voorzien in een specifieke belastingregeling;
Overwegende dat verschillen in financiële draagkracht en/of economische rentabiliteit redelijk verantwoorde differentiatiecriteria uitmaken voor de toepassing van het belastingreglement en het verschil in tarifering;
Voor de rechtspersonen bedoeld in de artikelen 180, 181 en 182 WIB92 is het verantwoord om deze niet te belasten, aangezien artikel 180 WIB92 betrekking heeft op tal van wettelijke bepalingen waarin door de overheid opgerichte instellingen van openbaar nut in meerdere mate vrijgesteld zijn van belastingen en aangezien de feitelijke verenigingen en VZW’s bedoeld in de artikelen 181 en 182 WIB92 geen winstoogmerk hebben, maar één of ander doel van algemeen of privaat belang, en over het algemeen kan worden aangenomen dat zij een lagere financiële draagkracht hebben. Rechtspersonen bedoeld in de artikelen 180, 181 en 182 WIB92 nemen ook regelmatig gemeentelijke taken over, wat voor de gemeente eveneens een kostenbesparing kan uitmaken;
Overwegende dat categorieën van bedrijven die door hun aard de grond (bodem) als natuurlijk productiemiddel of voor specifieke openluchtrecreatieve beroeps- of bedrijfsdoeleinden aanwenden en die in vergelijking met andere categorieën een lager rendement per vierkante meter oppervlakte hebben, een uitzonderlijke nood hebben aan grotere oppervlakten om een economisch leefbare (rendabele) exploitatie te kunnen realiseren;
Overwegende dat de tariefstructuur tegemoet komt aan de doelstelling van een evenwichtige spreiding in functie van de financiële draagkracht door voor deze categorieën van belastingplichtigen aangepaste tarieven te voorzien, die in overeenstemming kunnen worden beschouwd met hun financiële draagkracht;
Overwegende dat het verantwoord is om te differentiëren op basis van de graad van hinderlijkheid van de activiteit, waarbij de gemeente er van uit gaat dat de meer hinderlijke activiteiten (gemeten in Vlarem-klasse) meer uitgaven in gemeentelijke infrastructuur en dienstverlening voor de gemeente met zich kunnen meebrengen, gelet op de hogere hinderlijkheid voor mens en leefmilieu, waarbij de gemeente genoodzaakt kan zijn specifieke extra maatregelen te nemen om onder meer veiligheidsrisico’s voor de leefomgeving zoveel als mogelijk te beperken;
Overwegende dat de gemeente nieuwe bedrijven in hun aanvangsfase financieel wil ondersteunen, zodat voor deze bedrijven wordt voorzien in een korting op de belasting tijdens de eerste 24 maanden na inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
De ontvangsten zijn voorzien op volgend artikel van het meerjarenplan: GS2-01-02/0020-00/738000/GEMEENTE/FIN-FIN/IP-GEEN
| Jaar | Bedrag |
| 2026 | 963 356 |
| 2027 | 1 011 077 |
| 2028 | 1 020 112 |
| 2029 | 1 029 238 |
| 2030 | 1 038 455 |
| 2031 | 1 047 764 |
De fractie Vooruit onthoudt zich. Bij de fusie werd beloofd dat er geen belastingsverhoging ging zijn. Daarbij kan er voor kleine zelfstandigen een lagere forfait voorgesteld worden of vrijstelling gebeuren.
De leden van de fractie Ruimte stemmen tegen dit reglement nu nog steeds elke ondernemer, ook deze in bijberoep of via een eenmanszaak hiermee worden belast en er niet gekozen werd voor een gedifferentieerde oplossingen en/of vrijstelling voor minimale oppervlakten.
Net zoals vorig jaar vindt de fractie BLAUW het een gemiste kans dat er niet meer gedifferentieerd wordt volgens hoofdberoep, bijberoep. Voor velen is deze kost een serieuze last. Vraag om het min bedrag te verlagen en meer differentiatie. De fractie BLAUW zal tegenstemmen.
Artikel 1
De gemeenteraad stelt het in bijlage toegevoegde belastingreglement ‘Algemene gemeentebelasting op bedrijven en land- en tuinbouw - aanslagjaren 2026-2031’ vast.
Artikel 2
Dit belastingreglement treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 3
Dit reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig het decreet over het lokaal bestuur.